Valle de Abdalajís

Ik bevind me in een doolhof zonder uitgang, dat ommuurd is door metershoge rotsblokken. Aangejaagd door de wind hebben de nevelen van Abdalajís een klamme deken gelegd over deze Decemberdag. In de verte huilt een wolf.

De enige ontsnappingsmogelijkheid uit de grauwe kilte is de hoogte in. Mist heeft een laagje vocht achtergelaten op met mos bedekte wanden. Ik klim naar boven en glijd uit, als ik me probeer vast te grijpen aan een onwillige tak laat hij zijn groene toorn achter op mijn vingers.

Abdalajís

Duivels in de mist

Overal zit modder, mijn handen zijn gekrast door boosaardige struiken. Klimmen, klauteren, slippen, eindelijk een soort pad, dat verder gaat door nauwe steegjes, onder laaghangende bruggen. Het is overwoekerd met planten die diepe gaten in de grond grotendeels aan het oog onttrekken.

Grotten, kloven, afgronden, ze zijn er wel, maar verbergen zich, wachtend op die sukkel die zich verstapt. Dieren hebben hun sporen achtergelaten, inclusief de restanten van wat ooit een geitje geweest moet zijn, reeds lang geleden ontkleed van huid en haar.

De wereld van Lucifer

Het terrein lijkt op een nachtmerrie ontsnapt uit het brein van Picasso, waarin gigantische stenen met de zwaartekracht spelen. Reusachtige keien balanceren op kleine puntige rotsen terwijl Botero bizar grote billen in het landschap heeft achtergelaten.

Een kleine trol gaat me voor, hij kruipt langs het bemoste achterwerk nog dieper dit mistige doolhof in. Steeds verder, totdat ik plotseling voor een metersdiep gat in de grond sta. Het krioelt er van wezens die het daglicht niet kunnen verdragen, de wereld van Lucifer. Een zwavelachtige substantie markeert de poort tot dit schimmenrijk. De duivel heeft zijn gehoornde voetafdruk aan de ingang achtergelaten.

Ik wil hier weg.

Eindelijk, op de achtergrond hoor ik stemmen. Herders, een reddende engel? Een man wenkt. Hij wijst naar wat ik hoop de weg is uit dit grijze labyrint. Terug naar de veiligheid van de kudde.

De zon breekt door, de geesten verdampen in de warmte van haar omhelzing. Het jankende beest blijkt een verre neef van de wolf te zijn, de Canis lupus familiari of in gewone mensentaal: een hond. Het sluierdek trekt weg, de vallei van Abdalajís groet ons.

Wat blijft is de wonderschone mystiek van dit stukje natuur.

___________________________________________________________

Het gebied ligt op de Camino de Las Arquillas, een pad wat tweeduizend jaar geleden aangelegd is door de Romeinen, daarna gebruikt door de Visigoten en Moren. Het gaat vanaf de kust tot Antequerra. Herders, handelaren en soldaten hebben van oudsher van deze weg gebruik gemaakt.

Route

De foto’s zijn gemaakt in een natuurpark bij Puerto de La Escaleruela, een uitloper van het krijtsteengebergte, El Torcal. Om bij dit punt te komen vanaf Malaga volg de autoweg naar Antequera, vervolgens El Torcal aanhouden en dan Valle de Abdalajís. Een zandweg dat afgesloten is door een hek leidt naar het Romeinse pad. De toegang bevindt zich op privé-eigendom.

Wolven kijken

Op de weg Ctra. Antequera-Álora (A343) op km 16 bevindt zich het Lobo Park, een afgeschermd gebied waar wolven vrij rondlopen.

 

error:

Pin It on Pinterest

Share This